Deel 2:
Voorkeur voor prooionderdelen:
Je hoort en leest wel eens dat wolven beginnen met de ingewanden van hun prooi om op die
manier de beschikking te krijgen over half verteerde plantbestanddelen. Een nogal
onwaarschijnlijke argumentatie. Tekort aan energie, honger, is ook bij wolven de drijvende
kracht achter activiteiten om voedsel te verwerven. En dan zouden ze na een inspannende
jacht beginnen met het eten van de onderdelen van de prooi met de laagste energie-inhoud?
Los daarvan als ze al iets van planten nodig hebben, wat twijfelachtig is, dan kunnen ze dat
wel halen uit het zeer kleine beetje plantenmateriaal wat ze rechtstreeks opnemen. Bedenk
hierbij ook dat half verteerd betekent dat de best verteerbare delen al zijn opgenomen, half
verteerde plantbestanddelen bevatten juist de onderdelen van de plant die zelfs voor de
specialist, de planteneter, moeilijk verteerbaar zijn. Dus wat heeft de wolf te winnen bij
opname hiervan?
Nu blijkt uit een recente uitgebreide studie in het Yellowstone park wel degelijk dat wolven
bij het eten van hun prooi beginnen met de ingewanden. Er zijn echter wel aannemelijker
verklaringen voor een dergelijke voorkeur. Een bek met scherpe tanden heeft niet zoveel grip
op de strakgespannen huid om de spieren van bijvoorbeeld schouder en bil. De veel
plooirijker buikwand biedt veel meer mogelijkheden voor aangrijpen en het is dus begrijpelijk
dat daar begonnen wordt om bij de inhoud van de prooi te komen. Logisch dat je dan eerst bij
de organen in de buikholte terechtkomt. Een andere goede reden om bij de ingewanden te
beginnen is dat zich rondom het darmpakket en de nieren nogal wat vetweefsel bevindt. De
toonaangevende en vermoedelijk meest geciteerde wolvenonderzoeker Mech rapporteert
verschillende waarnemingen die het belang van dat vet ondersteunen. In een geval bleek de
maaginhoud van een gedode wolf volledig uit vet afkomstig uit de buikholte van een kort
daarvoor gedode prooi te bestaan.
Bij uitblijven van verstoring of andere bijzondere omstandigheden wordt vaak de hele prooi
opgegeten. Het eerder genoemde onderzoek in Yellowstone geeft aan in welke volgorde dat
gebeurt. Wanneer echter grotere groepen wolven met een karkas bezig zijn is deze volgorde
slecht waarneembaar. Nadat de organen zijn gegeten worden de grote spieren in de schouder
en achterhand opgegeten. Vervolgens worden de kleinere spieren verbonden aan huid en
skelet aangepakt. De laatst gegeten delen zijn de huid en hersenen zodat bij volledige
consumptie alleen het skelet, de maaginhoud en haar overblijft. Uit onderzoek van
wolvenuitwerpselen blijkt dat in het proces ook een hoeveelheid bot wordt opgenomen.
Voedsel en energieopname
Omdat in het kader van wildbeheer er belang aan wordt gehecht de invloed van roofdieren op
populaties andere dieren te kennen is er veel bekend over de aantallen en soorten dieren die
ten prooi vallen aan groepen of individuele wolven. Vanuit voedingsoogpunt is dit niet zo
interessant. Je wilt weten hoeveel een wolf gemiddeld consumeert. Dat vergt uitgebreidere
waarnemingen, je moet dan al de gewichten weten van de prooidieren en hoeveel er van
gegeten wordt. Uit dit soort onderzoek komt naar voren dat wolven over het gehele jaar ruim
vier tot zes kilo prooi per dag eten. Als de kans zich voordoet zijn piekopnamen van meer dan
twaalf kilo mogelijk maar dan wordt er de volgende dag beslist niet gegeten.
Wolven met overgewicht kom je in de natuur niet tegen dus je mag aannemen dat de
gemiddelde opname de energiebehoefte dekt. Het lijkt dan een aardige aanpak om vanuit de
opname de behoefte af te leiden maar een probleem is dat er bij de cijfers over opname geen
gegevens staan over het energiegehalte per kilo prooi. Ook zijn de gewichten van de wolven
die de prooi eten niet exact bekend. Er moeten dus een paar aannames worden gedaan.
Vanwege de variatie in gewichten blijft het kiezen van een gemiddeld wolvengewicht altijd
discutabel maar een gemiddelde van 35 kilo lijkt redelijk. Hoewel wolven meer eten van de
prooi dan het spierweefsel (vlees) alleen ben ik voor uitgegaan van het energiegehalte in
hertenvlees (5 MJ ME/ kilovlees) zoals de Amerikaanse voedseldatabank die aangeeft.
Organen hebben vaak een wat lager energiegehalte dan spierweefsel en vet een hoger dus een
tussenwaarde voor het totaal is een te verdedigen keus. Uitgaande van een gemiddelde
opname per dag van 5,5 kilo prooi is de gemiddelde energieopname per dag:
5,5 kilo x 5MJ ME = 27,5 MJ ME
(MJ ME = Megajoule Metaboliseerbare energie, zie ook de artikelen in de twee voorgaande
nummers)
In hondentermen: dit komt neer op de energiehoeveelheid in 1,7 kilo gemiddeld hondenvoer.
Om nog beter te kunnen vergelijken is het aardig om de energiebehoefte van een normaal
functionerende hond van 35 kilo te berekenen. Hiervoor gebruik ik de in voorgaande artikelen
toegelichte formule voor onderhoud (het niveau waarop een normaal functionerende niet
drachtige of melkgevende hond op gewicht blijft = M).
M = 460kJ x 35kg0,75 = 6907 kilojoule = 6,9 MJ
Uit bovenstaande berekeningen kunnen we concluderen dat een wolf in de vrije natuur vier
keer zoveel energie gebruikt als zijn gedomesticeerde verwant. De vergelijking is niet
helemaal eerlijk. In de gemiddelde voeropname zit ook het voer dat aan de welpen wordt
gegeven. Jonge wolven zijn nog in de groei terwijl in een koppel ook drachtige of lacterende
teven kunnen zitten. Voeg daarbij de enorme afstanden die wolven moeten afleggen en de
lage wintertemperaturen in gebieden waar wolven leven en je hebt een deel van het verschil
verklaard.
Andere voedingsstoffen in de prooi:
Wolven eten, zoals alle dieren, naar energiebehoefte. Maar voedsel levert naast energie ook
voedingsstoffen voor andere doeleinden. Uit het functioneren van wolven in de vrije natuur
kun je afleiden dat prooien in al het nodige voorzien maar er valt nog wel een kanttekening te
maken. Carnivoor wordt te makkelijk vertaald als vleeseter en dat kan vervelende gevolgen
hebben wanneer dit zondermeer wordt toegepast bij de voeding. In onderstaande tabel heb ik
een paar gehalten in vlees, waaronder hertenvlees afgezet tegen de norm die de AAFCO
(American Association of Feed Control Officials) hanteert voor goed samengesteld
hondenvoer geschikt voor melkgevende honden. Omdat er een veiligheidsmarge in zit is de
norm vrij ruim. De gehalten in de voedermiddelen komen uit de Amerikaanse
voedseldatabank (USDA food database). De gewenste gehalten in het voedingsmiddel zijn
uitgedrukt per 1 MJ energie. Op deze manier kun je voeders met verschillende
energiege halten toch prima met elkaar vergelijken.
Tabel: Gehalten in enkele dierlijke producten (USDA, 2004) en de AAFCO-normen
(AAFCO, 2004) voor gehalten in hondenvoer geschikt voor lacterende dieren.
gram eiwit/ 1 MJ milligram Calcium/ 1 MJ milligram ijzer/ 1 MJ
Norm AAFCO 15 (100)1 693 (100) 5,5 (100)
Hertenvlees 46 (307) 10 (1,4) 6,8 (124)
Mager rundvlees 33 (220) 42 (6 ) 2,4 (44)
Rauwe pens 34 (227) 194 (28) 1,7 (31)
1 het cursieve getal tussen haakjes geeft het percentage van de norm aan
Uit de tabel blijkt dat het voedsel van de wolf zeer ruim voorziet in de eiwitbehoefte. Voor
diegenen die hoge eiwitgehalten in hondenvoer bezwaarlijk vinden toch wel iets om over na
te denken. De wilde voorouder van onze hond doet het er prima op.
Met vlees en trouwens ook niet met organen wordt de calciumbehoefte lang niet gedekt. Het
afknagen van de botten van prooien speelt vermoedelijk een belangrijke rol in de
calciumvoorziening van wolven.
Zelfs op basis van uitsluitend hertenvlees lijkt de ijzervoorziening van wolven geen probleem.
Omdat ze ook het bloed van hun prooidieren opnemen is de ijzervoorziening in werkelijkheid
vermoedelijk nog een stuk beter. Bij het gebruik van vlees van gedomesticeerde dieren blijft
voor de hondeneigenaar ijzer wel een punt van aandacht.
Meer gegevens over de samenstelling van de prooi in het wild kunnen misschien helpen
bovenstaande inzichten te verfijnen. We moeten echter goed bedenken dat het onderzoek naar
de wolf in het wild er op gericht is de soort te behouden in het wild. Onderzoek waar de
hondeneigenaar of de houder van wolven in gevangenschap iets aan zouden hebben heeft
vanuit dat perspectief een lage prioriteit.