deel 2:
De oncoloog, blijkt uit haar onderzoek, verzuimt allereerst om goed door te vragen naar de voorkeur van de patiënt. ,,Dat zou hij wel moeten doen", stelt de medisch psycholoog. ,,De voorkeur voor chemo van de patiënt kan gebaseerd zijn op verkeerde informatie van bijvoorbeeld internet. Of op het verhaal van een kennis, die net een andere vorm van kanker had. Als arts moet je respect hebben voor wat de patiënt wil, maar je moet iemand ook helpen door informatie aan te bieden, aanvullingen te geven, vooroordelen te ontzenuwen. Pas dan kan het afwegingsproces oprecht beginnen."
De meeste patiënten denken dus bij binnenkomst al dat 'iets doen' (behandelen met chemo) het beste is; die voorkeur blijft onweerlegd, en vervolgens worden ze daar verder in bevestigd. ,,Want het gesprek'', zegt Koedoot een beetje boos, ,,gaat alleen maar over chemotherapie. In consulten van 45 minuten ging het niet zelden 43 minuten over palliatieve chemotherapie. Soms werd daarna nog even door de oncoloog gezegd: u kunt ook niets doen.''
Terwijl 'afwachtend beleid', het alternatief voor chemotherapie, iets heel anders is dan 'niets doen', benadrukt Koedoot. ,,Dat betekent dat er regelmatig contact is tussen arts en patiënt, dat er aan pijnbestrijding wordt gedaan. En natuurlijk schrijdt de ziekte voort, maar zonder de bijwerkingen van de chemo.''
Ook artsen, zo is de onontkoombare conclusie, laten zich leiden door irrationele motieven. In bijna de helft van de gevallen gaven de oncologen toe dat 'iets doen is beter dan niets doen' een rol speelde bij het aanbieden van chemotherapie. Dat geeft hen, vermoedt Koedoot, meer gevoel van controle. ,,En spreken over 'niets doen' is ook toegeven dat het leven afloopt. Dat is een naar gesprek, dat je vermijdt door over chemotherapie te praten."
De patiënten gaan graag mee in deze samenzwering van stilte, want die willen het eigenlijk niet horen. ,,Hen is verteld: u kunt niet meer genezen. Toch vormen velen die boodschap om tot: je weet maar nooit."
De oncoloog van mevrouw B. bespreekt met haar de mogelijkheid van chemotherapie. In het consult van bijna drie kwartier wordt voornamelijk gesproken over wat de behandeling inhoudt, hoe die gegeven wordt en welk effect verwacht kan worden. De dokter waarschuwt mevrouw B. dat ze misselijk kan worden en dat haar haar kan uitvallen. Dat laatste vindt ze niet erg, de pruik ligt al klaar. Mevrouw hoeft niet lang na te denken en heeft min of meer meteen besloten om met chemo te beginnen. Ze zou zo graag haar kleinkinderen zien opgroeien en haar dochter heeft het moeilijk - ze wil er zo graag voor haar zijn. Dan moet ze toch alles geprobeerd hebben?
Slechts in zeven procent van de consulten, en over deze bevinding is de onderzoekster wel wat onthutst, werd de patiënt verteld dat diens conditie achteruit gaat door chemotherapie. Met klem: ,,Dat moet je als arts wél vertellen. Want misschien denkt de patiënt dan: daar heb ik geen zin in. Palliatieve chemotherapie kan de kwaliteit van leven wat verbeteren en kan een paar maanden levenswinst geven. Maar het houdt het sterven niet tegen. Ondertussen geeft het wel bijwerkingen, al kunnen die verschillen per middel en per patiënt. Er is dus veel onzekerheid, en je kunt als patiënt de vreselijke pech hebben dat de tumor niet reageert op het middel terwijl je wel last van allerlei nare bijwerkingen krijgt."
Wanneer afwachtend beleid helemaal niet wordt genoemd door de arts, of wordt gepresenteerd als 'niets doen', is het geen wonder dat patienten daar niet voor kiezen. Want niets doen, dat klinkt als opgegeven worden. Koedoot: ,,Een patiënt die voor chemo koos, zei letterlijk: ik heb geen keus, ik sta met mijn rug tegen de muur. Terwijl er wel een keuze is, en afwachten soms zelfs beter is voor patiënten. Als je wilt dat zij een weloverwogen keuze kunnen maken, dan moet je als arts beide alternatieven voldoende aandacht geven.''